Skip to content

Aanvulling op De snijtafel #74.2 over Rutger Bregmans repliek

Net als aflevering #74.1, heeft Simon Burgers ook aflevering #74.2 voorzien van een schriftelijke bijlage, een overweldigend overzicht gemaakt van wat er allemaal niet klopt aan Rutger Bregmans inbreng tegen onze kritiek op zijn boek De meeste mensen deugen. De tekst overlapt grotendeels met de aflevering. Net als de video gaat hij over de tweede helft van Bregmans repliek. Simons betoog somt de belangrijkste punten uit de video op, maar vult de video ook regelmatig aan. Overigens zit niet alles uit de video ook in de tekst, dus wie volledigheid wil, zal ook de video moeten bekijken (of de podcast beluisteren).

Kasper

Bregmans windmolens (slot)

Deel 2 van een weerwoord op Bregmans repliek op De snijtafel #73 over De meeste mensen deugen

door Simon Burgers (met medewerking van Kasper C. Jansen), juni 2022

Hoe Bregman bluft over zijn gebruik van bronnen

Bregman in De Balie:

Het achtste punt van Simon en Kasper betreft de archeologie van oorlogvoering. Ik vertel in mijn boek uitgebreid over het onderzoek van vele archeologen die betogen dat er nauwelijks bewijs is voor oorlog in de diepe prehistorie. Kasper merkt hier op: ‘absence of evidence is geen evidence of absence’, waarbij hij — net als bij zijn punt over correlatie is geen causatie – lijkt te denken dat hij weer iets erg slims heeft gezegd.

Maar in mijn notenapparaat verwijs ik naar het standaardwerk onder redactie van de antropoloog Douglas Fry, getiteld War, Peace and Human Nature – een boek dat jullie mooi zullen vinden, want het heeft héél kleine lettertjes.

Daarin schrijven twee archeologen:

‘Comparing the total number of known individuals before 8,000 BC to the small sample of remains showing signs of violence, demonstrates the infrequency of warfare or conflict in the ancient past. The archeological record is, [luister goed], not silent on the presence of warfare in early human history. Indeed, this record shows that warfare was the rare exception…’

Het is niet de eerste keer dat Bregman een oordeel geeft over hoe wij kijken of wat wij lijken te denken. Een discussie daarover laten wij graag voorbijgaan.

Dus, terug naar de kern. Heel knap, hoe Bregman hier verwarring weet te scheppen door een kwestie verkeerd weer te geven.

In de eerste plaats, hij behandelt zelf in De meeste mensen deugen het door Kasper aangekaarte probleem in het geheel niet. Het is dan ook niet zo gek dat Kasper even de kanttekening plaatst: absence of evidence is geen evidence of absence.

Vervolgens, de twee keren dat Bregman in zijn boek refereert aan een passage uit de tekst van Douglas Fry doet hij dat in verband met heel andere onderwerpen. Ook in de voetnoten zelf wordt het probleem niet aangestipt.

Hoe kunnen wij dan weten dat het zinvol is de tekst na te trekken die in zijn voetnoten vermeld wordt?

Inmiddels hebben we dat gedaan. En dan gaat er nog een derde ding mis. Bregman verwijst in zijn boek namelijk naar een door Fry zelf geschreven tekst. Die tekst staat in een verzamelbundel. Nu, in zijn repliek in De Balie, komt hij op de proppen met een citaat uit een andere tekst, geschreven door twee andere auteurs. Die staat verderop in de bundel, bijna tweehonderd bladzijden verwijderd van de door Bregman aangehaalde passages.

Kortom, het is moeilijk ons aan te rekenen, dat wij niet op grond van Bregmans voetnoten War, Peace and Human Nature hebben nageslagen; en zelfs als we dat wel hadden gedaan, dan waren we heel ergens anders aanbeland.

Overigens, Bregman geeft hier wel erg veel aandacht aan een ondergeschikte opmerking van Kasper. Ondergeschikt, omdat wij juist niet de overtuiging zijn toegedaan dat oorlogvoering in de oertijd veel voorkwam. Ons betoog luidt in hoofdlijnen:

(a) ontbreken van oorlog in de prehistorie is niet zo verwonderlijk, want de groepjes jagers/verzamelaars waren te klein voor oorlog;

(b) ontbreken van oorlog is iets anders dan ontbreken van geweld;

(c) studies naar het gedrag van hedendaagse nomadische jagers/verzamelaars wijzen wel degelijk op de aanwezigheid van geweld.

Er is nog een vierde ding mis, het belangrijkste punt. Bregman citeert onvolledig en daardoor onjuist. Zijn quote eindigt met:

The archeological record is not silent on the presence of warfare in early human history. Indeed, this record shows that warfare was the rare exception…’

De niet-geciteerde rest van de zin luidt:

‘…prior to the Neolithic pressures of population densities and insufficient resources for growing populations.’

Dus toen de hulpbronnen onvoldoende werden, ontstond er wel oorlogvoering. Wat biedt de prehistorie dan nog aan ondersteuning voor Bregmans standpunt dat we van nature een voorkeur hebben van het goede? Het zijn toch – blijkt opnieuw – de omstandigheden die ons gedrag bepalen?

Anders gezegd: Wat blijft er over van Bregmans stelling In noodgevallen komt het beste in mensen naar boven?

Bregman geeft een van zijn andere bronnen vertekend weer

En er komt nog iets bij. De derde van Bregmans drie voetnoten verwijst naar een andere tekst, ditmaal van Fry zelf. We citeren de hele betrokken alinea uit De meeste mensen deugen:

Je voelt hem waarschijnlijk al aankomen: dan blijkt oorlog een zeldzaamheid. Nomadische jagers en verzamelaars houden nu eenmaal niet van geweld, concludeerde Douglas Fry toen hij in 2013 een lijst van representatieve samenlevingen opstelde voor het tijdschrift ‘Science’ [volgt voetnoot naar artikel van Fry in ‘Science’]. Nomaden lossen conflicten liever op door ze uit te praten of naar een andere vallei te verkassen. Het doet denken aan de jongens op het eiland ‘Ata: als zij ruzie hadden, gingen ze ook even uit elkaar om af te koelen.

Afwezigheid van oorlog’ wordt dus door Bregman gelijkgeschakeld met ‘niet van geweld houden’ en ‘conflicten uitpraten’. Dat is veel te kort door de bocht.

Los daarvan is de passage uiterst tendentieus. Je zou namelijk denken dat de hele alinea stoelt op het artikel van Douglas Fry in Science of er op zijn minst mee overeenstemt.Dat is niet zo. De laatste twee zinnen zijn geheel ontsproten aan de rijke fantasie van Bregman zelf. Sterker nog, die zinnen zijn onwaar. Want, Fry stelt in zijn artikel ‘afwezigheid van oorlog’ niet gelijk aan ‘afwezigheid van geweld’. Lees hier diens eigen samenvatting in Science

More than half of the lethal aggression events were perpetrated by lone individuals, and almost two-thirds resulted from accidents, interfamilial disputes, within-group executions, or interpersonal motives such as competition over a particular woman. Overall, the findings suggest that most incidents of lethal aggression among MFBS [= jagers/verzamelaars] may be classified as homicides, a few others as feuds, and a minority as war.

Dodelijke agressie, executies, moorden en nog wat oorlogjes. Dat geeft een ander beeld dan ‘conflicten uitpraten’.

Fry + Bregman = twee keer te rooskleurig

Merkwaardig is hoe Bregman verderop in zijn repliek terugkomt op Fry. Opeens geeft hij ruiterlijk toe – niet aan ons, maar aan de antropoloog William Buckner – dat hij te veel vertrouwt ‘op het werk van optimistische antropologen als Douglas Fry’.

Dat is nog waar ook. Wij hebben de data van het artikel van Fry zorgvuldig geanalyseerd. Die geven een negatiever beeld dan de conclusie die Fry eraan verbindt. Maar liefst 40% van het dodelijk geweld in de steekproef is het gevolg van oorlogshandelingen. (Voor de details, zie Bijlage I.)

En dat is dus weer een conclusie die door Bregman zelf nog eens flink wordt opgepoetst.

Ofwel, eerst interpreteert Fry zijn eigen data te positief, vervolgens geeft Bregman daar weer een te optimistische draai aan.

Wat Bregman verder zegt over (afwezigheid van bewijs van) oorlog in de prehistorie

Bregman in De Balie:

Simon maakt vervolgens het punt dat oorlog minder waarschijnlijk is in een wereld vol nomaden met een lagere bevolkingsdichtheid. En ja, dat is nogal wiedes, en dat is ook precies het punt wat ik zelf maak. ‘Oorlog is een instituut’ zegt Simon, en ik zou zeggen: lees hoofdstuk 5, want daar zeg ik hetzelfde.

Het is jammer dat Bregman niet een citaat geeft dat zijn bewering staaft. Wij hebben namelijk zijn uitspraak niet kunnen terugvinden.

In Bregmans boek lezen we dat hij het ontbreken van oorlog juist niet ‘nogal wiedes’ vindt. Hij spreekt zelfs over ‘een groot mysterie’.

Sowieso geeft Bregman Simon onvolledig weer. Dat oorlog in de prehistorie zeldzaam was, zo concludeert Simon, zegt weinig over de inborst van de oermens: de afwezigheid toen van oorlog vloeide voort uit de omstandigheden, niet uit ‘het deugen’ van de prehistorische mens.

Zoals we al eerder zagen, daar zegt Bregman niets over.

Andere bronnen over oorlog onder jagers/verzamelaars

In hoeverre was oorlog eigenlijk ‘the rare exception’? Het artikel van Fry heeft ons aan het twijfelen gebracht. In diens onderzoek is 40% van het aantal gewelddadige doden het gevolg van oorlog. Maar hoeveel procent van het totale aantal doden? Is dat bijvoorbeeld 1%, of misschien maar 0,1%?

Wij sloegen Azar Gat’s standaardwerk War in Human Civilization (2006) erop na. Azar Gat kenschetst – net als Bregman – Hobbes en Rousseau als pleitbezorgers van een duistere dan wel zonnige kijk op de oermens. Volgens Gat zijn beide visies onjuist, maar zat Hobbes wel dichter bij de realiteit dan Rousseau. Gevechten en moorden tussen groepen jagers/verzamelaars kwamen veel voor. Het is opmerkelijk dat Bregman het standaardwerk van Azar Gat onvermeld laat.

In een Science-artikel onderzoekt Samuel Bowles al het betrouwbare bronnenmateriaal over nomadische jagers/verzamelaars in de oertijd. Hij komt uit op een totaal aantal oorlogsdoden van maar liefst 12%. Bij eigentijdse nomadische jagers/verzamelaars ligt het percentage nog wat hoger.

Ander onderzoek lijkt erop te wijzen dat deelname aan oorlog door (pastorale) nomaden leidt tot meer nakomelingen. Ofwel: agressie heeft een evolutionair voordeel.

Misschien zijn we niet louter een homo puppy?

Bregman geeft Kasper en diens bron verkeerd weer

Bregman in De Balie:

Kasper haalt dan een boek aan van Robert Edgerton, Sick Societies uit 1992. Helaas vergeet hij mijn opmerking — die ik nota bene voorlees in de video dat het mij gaat om samenlevingen van nomadische jagers en verzamelaars. Niet sedentaire jagers/verzamelaars. Dat is een cruciaal onderscheid in de vakliteratuur.

Want zoals de antropoloog Douglas Fry schrijft, over onder ander het behoorlijk gedateerde werk van Robert Edgerton en Co.:

‘… significantly for the argument in favor of a positive view of the hunting-gathering adaptation, it is no coincidence that the examples they cite in support of their contentions about maladaptations are drawn predominantly from settled societies.’

Dan hebben we het dus over een klein deel van de menselijk geschiedenis. De mens werd ongeveer 10.000 jaar geleden pas op grote schaal sedentair, terwijl we hier al minstens 300.000 jaar rondlopen.

De belangrijkste voorbeelden die Kasper aanhaalt, gaan over nomadische jagers/verzamelaars. Wat Bregman hier zegt, is dus onwaar. (Een groot deel van Kaspers voorbeelden ontleent hij aan het boek van Edgerton. Dus, als Douglas Fry zegt dat het anders zit, heeft ook Fry ongelijk. We kunnen dat niet controleren, omdat Bregman geen bronverwijzing geeft.)

Bregman maakt overigens niet duidelijk waarom het onderzoek van Edgerton ‘behoorlijk gedateerd’ zou zijn.

Onze conclusie over oorlog bij jagers/verzamelaars

Lang verhaal kort.

Wij veronderstelden aanvankelijk dat oorlog weinig zou voorkomen bij jagers/verzamelaars. Bregmans repliek heeft ons op het spoor gezet van nader onderzoek. Nu is onze mening een beetje verschoven. Maar niet richting Bregman. Juist ervandaan.

Verlichting: negatief mensbeeld?

Bregman in De Balie:

Aan het slot van de video beginnen Simon en Kasper het echt bont te maken. Hun negende grote kritiekpunt is namelijk dat ik de Verlichting ‘intrinsiek negatief’ beoordeel.

Nee, dat zei Simon niet. We moeten even heel precies zijn.

(a) Verlichting intrinsiek negatief beoordelen = een 100% negatief oordeel hebben over de stroming de Verlichting

(b) Zeggen dat de Verlichting uitging van een intrinsiek negatief mensbeeld = zeggen dat de Verlichting zelf negatief oordeelde over de mens.

Wij beweerden niet dat Bregman (a) zegt, maar dat hij (b) zegt. En dat houden we staande, zie onder.

Verlichting: de scheiding der machten

Bregman in De Balie:

[Simon en Kasper zeggen] dat ik ook negatief ben over de moderne scheiding der machten, zoals voorgesteld door Montesquieu. Dat is, wederom, onjuist.

Bregman in zijn boek:

Ook de verlichters gingen er van uit dat de mens verdorven is. (…) Neem de oudste grondwet die nog van kracht is, van de Verenigde Staten. De Founding Fathers hadden een donker mensbeeld. Ze geloofden dat mensen egoïsten waren die door elkaar in toom gehouden moesten worden. Daarom ontwierpen ze een systeem dat aan elkaar hing van ‘checks and balances’. Iedereen moest iedereen controleren. (…)

Zou dit de vergissing zijn waarop de Verlichting – en dus de moderne maatschappij – is gegrondvest? Dat we voortdurend uitgaan van een verkeerd mensbeeld? (…) Kan het anders? Wat als (…) overheden uitgaan van het goede in de mens?

De scheiding der machten was dus een ‘vergissing van de Verlichting’.

Wij vinden dit een even vage als bedenkelijke passage. Kennelijk wil Bregman het systeem van de checks and balances, ofwel van de scheiding der machten, vervangen door… ja, door wat eigenlijk? Hij komt niet verder dan een systeem waarin ‘we uitgaan van het goede in de mens’.

Merk op dat Bregman de kern van de scheiding der machten verkeerd heeft begrepen. Die kern houdt niet in ‘iedereen moet iedereen controleren’. Nee, het volk moet de machthebbers kunnen controleren. Een klein beetje wantrouwen – lees: mogelijkheid tot controle – kan misbruik van macht voorkomen. Omgekeerd, de machthebbers dienen richting het volk uit te gaan van vertrouwen. Zie de presumptie van onschuld en andere artikelen van de Franse mensenrechtenverklaring uit 1789.

Verlichting: de zegeningen van kapitalisme en bureaucratie

Bregman in de Balie:

Ik schrijf letterlijk op pagina 301 van mijn boek:

‘Wie de balans opmaakt, kan niet anders dan concluderen dat de Verlichting een overdonderd succes is geweest voor onze soort. Het kapitalisme, de democratie, de rechtsstaat en de bureaucratie hebben ons leven veel beter gemaakt. (…) De wereld is rijker, veiliger en gezonder dan ooit.’

Dit ontkennen wij niet. Kasper vestigt in de video de aandacht op deze passage.

In hoeverre het kapitalisme zijn oorsprong heeft in de Verlichting, laten we in het midden. Idem dito voor Bregmans ongeclausuleerde uitspraak dat het kapitalisme en de bureaucratie ons leven ‘veel beter’ gemaakt hebben.

Verlichting: Kasper die geen onderzoek doet

Bregman in De Balie:

Het klopt dat ik óók schrijf over de schaduwzijde van de Verlichting, en dat vinden de heren niet leuk. Kasper stelt dat zijn ‘intuïtie’ altijd was dat de Verlichting het startschot betekende voor de afschaffing van de slavernij. Helaas heeft hij die intuïtie niet onderzocht in de historische bronnen.

Wat Kasper erna in de snijtafelvideo zegt, laat Bregman weg:

Ik ben me er een beetje in gaan verdiepen (…) en waar ik uitkwam… Hierop volgt Kaspers interessante weergave van Middeleeuws Europees racisme, geïnspireerd op het Bijbelverhaal van Noach.

Bregman schildert dus ten onrechte Kasper af als iemand die blindvaart op zijn intuïtie. Dat doet hij door de tweede helft van Kaspers verhaal weg te moffelen.

Terugkijkend (in een podcast) op zijn repliek beoordeelt Bregman zijn eigen wijze van debatteren als ‘loepzuiver’.

Verlichting: slavernij & christendom

Bregman in de Balie:

Want wie het abolitionisme bestudeert, de 18e eeuwse beweging tegen eerst de slavenhandel en daarna de slavernij, komt erachter dat dit eerder een christelijke dan een verlichte beweging was.

Het is correct dat er óók christenen tegen de slavernij waren. Maar Bregman moet niet overdrijven. Onder de christenen waren de abolitionisten aanvankelijk maar een minderheidsgroep. Alle fervente voorstanders van de slavernij waren christenen.

Het christendom was sowieso niet intrinsiek tegen slavernij. Dat komt duidelijk naar voren in een Bijbelcitaat in Bregmans eigen boek. Daarin waarschuwt de profeet Samuel wat voor gemene dingen de koning zal gaan doen:

Uw akkers, uw wijngaarden en uw olijfgaarden zal hij nemen. (…) Hij zal uw slaven, uw slavinnen, uw beste jongemannen en uw ezels nemen.

Verlichting: Bregmans onkunde over slavernij & verlichters

Bregman in de Balie:

Geen enkele grote verlichtingsdenker zette zijn reputatie in om de slavernij aan te vallen.

Uit deze passage blijkt Bregmans pijnlijke onkunde aangaande de Verlichting. Merk op, dat zijn bewering geen slip of the tongue was in een debat, maar onderdeel van een uitgeschreven repliek. Een tekst waar Bregman zo tevreden over was, dat hij erop heeft aangedrongen bij De Balie om deze zo snel mogelijk online te zetten.

Belangrijke verlichters namen stelling tegen slavernij. Een beroemde passage in Candide is Voltaires vlijmscherpe veroordeling van mishandeling van slaven in Suriname. In een ander werk feliciteert hij Montesquieu met diens veroordeling van de slavernij; in de woorden van Voltaire een ‘walgelijke praktijk’ (odieuse pratique). Voltaire was trouwens enthousiast over de afwijzing van de slavernij door christelijke Quakers.

Naast Voltaire en Montesquieu was Diderot een fel tegenstander van slavernij. Bijvoorbeeld, in een van zijn verhalen (1772) laat hij een Otaïtiaans stamhoofd tegen een Fransman zeggen:

De Otaïtiaan is uw broeder; wij zijn twee kinderen van de natuur. Welk recht hebt u over hem wat hij niet over u zou hebben?

In een van de kroonjuwelen van de Verlichting, de ‘Encyclopédie (1755), staat het door Louis de Jacourt geschreven lemma Esclavage. Het is een schitterende tirade tegen de slavernij, eindigend met:

Alle mensen hebben van nature een gelijke vrijheid, en men kan ze die vrijheid niet afnemen, zonder dat een stel criminele daden heeft plaatsgevonden. De volkeren die slaven hebben behandeld als een bezit waarover ze naar believen kunnen bezitten, zijn niets anders dan barbaren. (Voor de Franse tekst, zie Bijlage II)

Een ander pronkstuk van de Verlichting, de Franse Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger uit 1789, opent met de woorden:

De mensen worden vrij en met gelijke rechten geboren en blijven dit.

Enkele jaren na de Verklaring, in 1794, schafte Frankrijk de slavernij af.

Zoals bekend, viel in Frankrijk begin 19e eeuw terug in de Restauratie, een systeem van vóór de Verlichting. De aristocratie herstelde zich en de scheiding der machten werd ongedaan gemaakt. De slavernij werd heringevoerd. Tijdelijk, gelukkig. In 1848 werd de definitieve afschaffing een feit tijdens het presidentschap van de sympathieke François Arago.

Een uitzondering vormt Immanuel Kant. Hij heeft een beschamend boekje geschreven over rassen waarin hij slavernij goedkeurt. Hoewel dit werkje onmogelijk gezien kan worden als een belangrijk boek binnen de Verlichting, hebben wij er spijt van dat we het niet hebben vermeld. Temeer, omdat we Kant later opvoeren als een filosoof die gepleit heeft voor tolerantie. Dat laatste is op zich wel waar, maar we vinden hem bij nader inzien niet degene die we als voorbeeld hadden moeten nemen. In dat verband moeten we denken aan wat een schrijver eens heeft gezegd: ‘Uit slechte monden stinkt zelfs de waarheid’.

De kwestie ‘Kant en racisme’ is een ingewikkeld onderwerp. Later heeft Kant een essay geschreven waarin hij betoogt dat er geen erfelijke verschillen tussen rassen bestaan, en de witten niet een bijzondere soort zijn. Ook heeft hij stelling genomen tegen slavernij en kolonialisme.

Alle bovenstaande feiten en overwegingen krijgen in Bregmans boek geen aandacht. Inclusief het bedenkelijke werkje van Kant.

Bregman in de Balie:

De verlichter John Locke investeerde een fortuin in de slavenhandel.

Dit klopt en verdrietig is het zeker. Toch zijn de afkeurenswaardige privé-handelingen van een persoon niet gelijk te schakelen met de denkbeelden van een beweging.

Wij benadrukken overigens meermalen in onze video dat de verlichters niet vrij waren van racistische opvattingen.

Bregman in de Balie:

Verlichter Voltaire vond het maar wat mooi dat er een slavenschip naar hem vernoemd werd.

Zolang een betrouwbare bronvermelding ontbreekt, zien wij ervan af in te gaan op dit bekende kwaadaardige verhaal.

Bregman in de Balie:

In 1789 (…) kregen verschillende slavenschepen nieuwe namen: Liberté, Egalité en Fraternité.

Welk punt Bregman hier wil maken, begrijpen wij niet. Als het waar is – bronnen geeft hij weer niet – dat slavenhandelaren dit deden, bewijst dat hun uiterste cynisme. Doet het iets af aan de inhoud van de begrippen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap? Wordt hiermee de oprechtheid ondergraven van Montesquieu c.s.? Zo demagogisch zal Bregman het toch niet bedoelen?

Verlichting: de uitvinding van het racisme

Bregman in De Balie:

Simon wordt zowaar boos als ik suggereer dat het moderne racisme een uitvinding is van de Verlichting.

Bregman schrijft in zijn boek niet ‘het moderne racisme’. Hij schrijft ‘het racisme’. Dat ene toegevoegde woord maakt een principieel verschil. Vergelijk:

(a) De moderne muziek is begin 20ste eeuw in Oostenrijk ontstaan.

(b) De muziek is begin 20ste eeuw in Oostenrijk ontstaan.

Uitspraak (a) is verdedigbaar. Denk aan de Tweede Weense School, met de componisten Arnold Schönberg, Alban Berg en Anton Webern. Uitspraak (b) is onzinnig.

En dat geldt ook voor Bregmans stelling dat het racisme door de Verlichting is uitgevonden.

Verlichting: de consensus onder historici

Bregman vervolgt in De Balie:

Maar over die stelling bestaat een brede consensus onder historici.

Dat is een autoriteitsargument. Als wij concrete voorbeelden kunnen geven van racisme van vóór de Verlichting, dan heeft hij in een debat de plicht die voorbeelden te weerleggen.

Het is overigens niet sterk dat Bregman in zijn boek zijn boude stelling met geen enkele bron ondersteunt. Hij noemt geen enkele van die ‘historici’.

In 2004 verscheen bij Princeton University Press een studie over racisme in de Klassieke Oudheid. In 2019 publiceerde Cambridge University Press een studie met de veelzeggende titel The Invention of Race in the European Middle Ages.

De volgens Bregman bestaande ‘brede consensus’ beschouwen wij daarom als twijfelachtig.

Verlichting: ons blindvaren op Wikipedia

Bregman zegt meteen hierna in De Balie:

De heren scrollen weer wat rond op Wikipedia.

Waarop baseert hij dit? Het is in ieder geval onjuist. Voor onze beschouwing over Middeleeuws Europees racisme, geïnspireerd op het Bijbelverhaal van Noach, raadpleegden wij Wikipedia.

De uitbarstingen van Middeleeuws antisemitisme na pestplagen ontlenen wij aan Barbara Tuchmans A Distant Mirror. The Calamitous 14th Century.

Over de rassenscheiding in 17e eeuws Batavia lazen wij in Herman Burgers’ De garoeda en de ooievaar. Indonesië van kolonie tot nationale staat.

Verlichting: een uitspraak van Frederickson

Bregman zegt meteen hierna in De Balie:

Het was nuttiger geweest om de klassieker ‘Racism’ van Georg Frederickson te lezen, menig eerstejaars geschiedenis welbekend. Daarin schrijft hij ‘The scientific thought of the Enlightenment was a precondition for the growth of a modern racism based on physical typology.’

In onze video’s opponeren wij tegen Bregmans boek. In (de bronvermelding van) dat boek komt Frederickson niet voor. Het is merkwaardig dat Bregman zijn stelling alléén weet te ondersteunen door een bron op te voeren waarover hij in zijn boek niet rept. Desalniettemin gaan we er even op in.

Bregman stelt dat de Verlichting het racisme heeft uitgevonden.

Frederickson heeft het in zijn geciteerde uitspraak over modern racisme, niet over racisme in het algemeen. Voor commentaar, zie enkele paragrafen hiervoor.

Frederickson spreekt in het citaat over de groei van het moderne racisme. Dat is iets anders dan de uitvinding ervan.

Frederickson zegt in het citaat dat de wetenschappelijke denkwijze van de Verlichting een voorwaarde was voor die groei. Een voorwaarde is iets anders dan een zaak zelf.

Het is goed mogelijk dat wij, zoals Bregman zegt, zouden zakken voor een eerstejaarstentamen Geschiedenis. Wij vinden het verrassend dat Bregman geslaagd is voor zijn test Begrijpend Lezen, AVI-niveau 8.

Verlichting: rubriceren = discrimineren?

Bregmans tweede citaat in de Balie plus diens commentaar:

‘The secular Enlightenment was a double-edged sword. lts naturalism made a color-coded racism seemingly based on science thinkable and thus set the stage for nineteenth century biological determinism. But at the same time, it established in the minds of some a premise of equality (…) The Enlightenment thus managed to give new salience and potency to the concept of race while at the same time making it possible to question whether its use as a basis for social ranking and privilege was fust and reasonable.’

Het is precies deze paradox, over de Verlichting als tweesnijdend zwaard, waar deze passage in mijn boek over gaat. Jullie willen blijkbaar alleen de positieve kant van de Verlichting zien, en alle schaduwkanten wegredeneren als aberraties.

Ook hier drukt Frederickson zich oneindig subtieler en genuanceerder uit dan Bregman. Hij zegt dat het 18de eeuwse naturalisme een modern racisme denkbaar maakte, ofwel nogmaals: dat het er een voorwaarde voor was. Frederickson heeft het over een 18de eeuws racism seemingly based on science. Dat is – anders dan Bregmans stelling – uitstekend verenigbaar met de observatie dat daarvóór ook al racisme bestond, maar alleen nog niet (pseudo)wetenschappelijk gelegitimeerd was.

Frederickson schakelt hier het 18de eeuwse rubriceren van rassen dus niet zomaar gelijk met het onrechtvaardig behandelen van mensen met een andere huidskleur.

In hoeverre was de Verlichting nu een ‘tweesnijdend zwaard’? Wij dragen zelf enkele aanvullende overwegingen aan.

In de eerste plaats kun je mensen op allerlei manier rubriceren, bijvoorbeeld op leeftijd, moedertaal of huidskleur. Je kunt dat met goede of slechte bedoelingen doen. Indeling in leeftijdsgroepen kan zinvol zijn als je corona bestrijdt; op moedertaal als je wilt vaststellen welke leerlingen extra taalondersteuning nodig hebben; op huidskleur als je wilt nagaan of de politie niet discrimineert bij standaardcontroles. Het kwaad zit niet in het middel, maar in het doel. Je kunt een mes gebruiken om groente te snijden of om iemand dood te steken. Je kunt de spoorwegen gebruiken om mensen naar Auschwitz af te voeren of om vluchtelingen uit een rampgebied te evacueren.

Kortom, wie vaststelt dat huidskleuren verschillen, heeft niet automatisch een racistisch doel. Daar is trouwens iedere actievoerder van Black Panters, Black Power en Black Life Matters het over eens.

In de tweede plaats is de kwaadaardige rassenleer van de nazi’s minder geïnspireerd op het 18e eeuwse rubriceren van rassen dan op een geperverteerde vorm van de 19e eeuwse evolutietheorie van Darwin. Dat je soorten kunt evolueren werd opgevat als ‘verbeteren of verslechteren’. (Zo had Darwin het natuurlijk niet bedoeld.) Nietzsche maakte daar vervolgens van dat de mens zou kunnen evolueren tot een Übermensch. Een vertekende versie van dit denkbeeld lag weer ten grondslag aan de eugenetica van de nazi’s. Niet toevallig hadden de nazi’s Nietzsche als filosofisch boegbeeld, en niet een van de verlichtingsdenkers.

Ten derde kun je je afvragen in hoeverre dergelijke pseudowetenschappelijke denkbeelden nu werkelijk van invloed zijn op racisten. Linksom of rechtsom rechtvaardigen ze hun misdadige praktijken toch wel. Illustratief hiervoor is Hitlers Mein Kampf. Het bevat tientallen kwalijke passages over rassen in het algemeen en tientallen over de joden in het bijzonder. Nergens wordt een verlichtingsfilosoof aangehaald, ook Kant niet. Zelfs Nietzsche blijft ongenoemd.

Boeiende, belangwekkende kwestie. We zouden er graag over in debat gaan, bijvoorbeeld met een collega van Frederickson. Maar dan niet via Bregman.

Verlichting: rechtstreekse lijn naar Holocaust?

Bregman in De Balie:

Simon wordt echter nog bozer, en beweert dat ik mij diep zou moeten schamen voor de observatie dat de Holocaust door veel wetenschappers als het toppunt van moderniteit wordt gezien. Tsja. Heeft hij de klassieker van Max Horkheimer en Theodor Adorno getiteld ‘De dialectiek van de Verlichting’ dan niet gelezen? Kent hij het baanbrekende werk van Zygmunt Bauman niet, getiteld ‘Modernity and the Holocaust?’

Ook dat is een autoriteitsargument. Waar wij heel concreet ingaan op het belangrijkste gedachtengoed van de Verlichting en laten zien dat dit haaks staat op de nazi-ideologie, daar heeft Bregman in een repliek de plicht onze argumentatie te weerleggen.

Is hij daartoe in staat? We zagen al eerder dat Bregmans kennis tekortschiet inzake het standpunt van verlichters over slavernij. Je kunt je afvragen in hoeverre hij voor de rest op de hoogte is van het gedachtengoed van de verlichters. Bregmans bronnenlijstje bij hoofdstuk 12 is flinterdun en er staat bijna geen primaire bron op. Beccaria en diens denkbeelden zijn bij hem onbekend, zo bleek desgevraagd in de Balie. Montesquieu wordt in de hele De meeste mensen deugen niet genoemd, noch diens trias politica. Hetzelfde geldt voor de Franse mensenrechtenverklaring. Bregman is duidelijk nauwelijks bekend met het werk van Voltaire. Dat blijkt alleen al uit Bregmans breed uitgemeten tegenstelling tussen de twee niet-tijdgenoten ‘Rousseau – Hobbes’. Klaarblijkelijk weet Bregman niet dat Rousseau en wel-tijdgenoot Voltaire in dezelfde kwestie tegenover elkaar stonden. Voltaires mooie traktaat over tolerantie bespreekt hij niet, evenmin als het beroemde meesterwerk Candide. Hij meent dat Diderot l’Encyclopédie heeft geschreven – een werk dat het product was van een schrijverscollectief. Hume interpreteert hij verkeerd. Over Lessing & tolerantie geen woord.

Hoe dan ook, Bregman weerlegt onze argumentatie niet en neemt zijn toevlucht tot autoriteitsargumenten. We gaan daar toch even op in.

In (de bronvermelding van) De meeste mensen deugen komen Adorno & Horkheimer niet voor. Net als in het geval van Frederickson is het merkwaardig dat Bregman zijn toevlucht neemt tot een bron die hij in zijn boek niet opvoert. Terwijl het zo’n ‘klassieker’ is! (Wij waren overigens wel al bekend met de ideeën van Adorno & Horkheimer; al maanden voor het debat in de Balie verbaasden we ons erover dat ze in Bregmans bronnenlijst ontbraken.)

Net zo vreemd is dat Bregman in De Balie doodzwijgt dat hij in De meeste mensen deugen verwijst naar Roger Griffins Modernism and Fascism. Waarom laat hij de kans liggen om met deze studie zijn standpunt kracht bij te zetten?

Wij vermoeden dat we het antwoord weten: Griffins hoofdonderwerp is niet de Verlichting. Griffin heeft het over niet ‘modernity’, maar over ‘modernism’, volgens hem opgekomen vanaf 1848. Hij behandelt geen enkele verlichtingsfilosoof; wel uitgebreid Nietzsche. Verder besteedt hij veel aandacht aan bijvoorbeeld Marinetti, exponent van de moderne kunststroming ‘futurisme’, die zeker als wegbereider van het Italiaanse fascisme kan worden gezien. Dat Bregman de studie van Griffin in een voetnoot opvoert om de relatie Verlichting – Holocaust aannemelijk te maken, beschouwen wij als bluf.

Nu Bauman. Bregman wijst erop dat Bauman volgens Trouw ‘een van de belangrijkste sociologen ter wereld is’. Zo stapelt hij de ene autoriteit op de andere: Bauman is een groot man, en een journalist van Trouw zegt dat ook.

Als je geen argumenten hebt, maar met name dropping je standpunt kracht wil bijzetten, moet je het wel eerlijk doen. Bregman vertelt er niet bij dat Adorno, Horkheimer en Bauman horen bij de ‘Frankfurter Schule’ en dat hun zienswijze binnen die school tegenwerpingen heeft opgeroepen. Met name Jürgen Habermas heeft op overtuigende wijze een ander licht geworpen op de kwestie ‘Verlichting – Holocaust’.

En dan is het ook nog eens zo – net als in het geval van Frederickson – dat zowel Adorno als Bauman een subtielere redenering volgen dan de karikatuur die Bregman ervan maakt.

Bregmans wisseltruc: Verlichting = modernity

In de dertig pagina’s Introductie van Baumans Modernity and the Holocaust komt maar één keer het woord Verlichting voor. Bauman bespreekt in dat hoofdstuk allerlei kenmerken van de moderne tijd – die hij trouwens al vóór de Verlichting laat beginnen. Anders dan Bregman doet, gooit Bauman ‘Modernity’ en ‘Verlichting’ niet op een hoop.

Dat Bregman ze wel voor inwisselbare begrippen houdt, blijkt al uit zijn boek. Nadat hij alinea’s lang de ‘Verlichting’ zwart heeft gemaakt, concludeert hij vrijwel direct: Veel wetenschappers zien de moord op zes miljoen Joden niet als het toppunt van barbarisme, maar het toppunt van moderniteit.

In een slimme wisseltruc is het begrip ‘Verlichting’ dus vervangen door ‘moderniteit’. Waarom? Mogelijk voelde Bregman aan dat hij niet zou kunnen wegkomen met de zinsnede: Veel wetenschappers zien de moord op zes miljoen Joden als het toppunt van Verlichting.

Maar ook de formulering die Bregman wel gebruikt, is idioot. Niet het toppunt van barbarisme, maar van moderniteit? Niet dit, wel dat? Was de Holocaust dan niet barbaars??

Laten we eens bekijken wat Bauman daarover zegt. We kunnen gewoon terecht bij de citaten die Bregman in De Balie geeft:

In een interview met dagblad Trouw in 2012 zei [Bauman]: ‘Moderniteit leidt niet onherroepelijk tot een holocaust, maar het maakt het wel mogelijk. (…) De Holocaust was geen terugval in premoderne barbaarsheid. Het is juist een blik op het verborgen potentieel van de moderne maatschappij. Dat potentieel dragen we voorgoed met ons mee.’

Bauman zei ook over de Holocaust: ‘Het werd gedragen door rationele wetenschappers, van biologen tot juristen en planologen die zich zorgen maakten over de kwaliteit van het ras en de ‘sociale hygiëne’ van het volk.’

Merk op, dat Baumans eerste aangehaalde zin luidt: Moderniteit leidt niet onherroepelijk tot een holocaust. Dat is toch echt wat anders dan Bregmans weergave dat de Holocaust door veel wetenschappers als het toppunt van moderniteit wordt gezien.

Bauman vervolgt: de Holocaust was geen terugval in premoderne barbaarsheid. Barbaars was de Holocaust natuurlijk wel. En tegelijk, modern – vanwege de inzet van moderne middelen. Wij voegen er zelf aan toe: deels met de inzet van moderne middelen. Zo klinisch-modern gingen de Duitse soldaten niet altijd te werk. De Einsatzgruppen hebben minimaal 1.300.000 Joden – mannen, vrouwen, kinderen – van zeer nabij doodgeschoten.

Merk vooral op, dat in deze door Bregman opgevoerde Bauman-citaten nergens de term Verlichting voorkomt. We wijzen ook op de titel van Baumans boek. Die luidt: Modernity and the Holocaust, niet: Enlightment and the Holocaust.

Heeft Bregman het werk van Bauman werkelijk gelezen?

In hoofdstuk 12 van De meeste mensen deugen probeert Bregman aannemelijk te maken dat er een relatie was tussen de Verlichting en de Holocaust, die ‘…zich voltrok in een bakermat van de Verlichting, en werd uitgevoerd met behulp van een hypermoderne bureaucratie.’ Zijn daaropvolgende argumentatie bestaat uit niet meer dan twee zinnen:

De SS-afdeling die verantwoordelijk was voor het managen van de concentratiekampen heette ‘Administratie en Economie’. Veel wetenschappers zien de moord op zes miljoen Joden niet als het toppunt van barbarisme, maar als het toppunt van moderniteit. [Volgt voetnoot 9]

In voetnoot 9 worden twee werken genoemd, Baumans Modernity and the Holocaust en Griffins Modernism and Fascism.

Wij constateerden hiervoor al, dat Adorno & Horkheimer ongenoemd blijven en dat Griffins boek niet over de Verlichting gaat. Er is nog iets vreemds aan de hand. Anders dan in veel andere voetnoten, verwijst Bregman in deze voetnoot niet naar paginanummers in Baumans werk. Waarom niet? De uitspraak over de zes miljoen Joden, barbarisme en moderniteit gaat behoorlijk ver. Je zou wel willen weten, waar Bauman in zijn boek dit ongeveer zegt.

Het antwoord is: nergens. In het interview zegt Bauman:

De SS-afdeling die verantwoordelijk was voor de uitroeiing van joden heette ‘Administratie en Economie’.

Deze zin staat bijna letterlijk in Bregmans boek. (Bregmans parafrase is minder correct dan het origineel, want niet alleen de concentratiekampen vielen onder de betreffende afdeling.)

En boven het interview staat:

De uitroeiing van de joden was geen terugval in oude barbaarsheid, zegt de 86-jarige Brits-Poolse socioloog Zygmunt Bauman. Het was het toppunt van moderniteit.

(Dit zijn niet woorden die Bauman in het interview uitspreekt. Dit is een parafrase van de journalist. Nergens in het interview kenschetst Bauman de uitroeiing van de joden als het toppunt van moderniteit. Hij zegt: moderniteit maakt een holocaust mogelijk.)

En die uitspraak boven het interview, maar nog wat ongenuanceerder, staat in De meeste mensen deugen.

Geen uitspraken dus uit het boek van Bauman. En ook tijdens Bregmans Balie-repliek citeerde hij niet uit Baumans boek. Alleen uit het Trouw-interview.

Het is heel goed mogelijk dat Bregman nooit Baumans Modernity and the Holocaust heeft opengeslagen… evenmin als de werken van Adorno, Horkheimer en Griffin. Let wel: wij zeggen niet datdit zo is; maar we zeggen ook niet dat het niet zo is.

Dat debat met Adorno, Horkheimer en Bauman laten we graag aan Habermas over. Maar laat Bregman zich er alsjeblieft buiten houden.

Lees absoluut geen krant

Bregman in De Balie:

Simon [blijkt] een (…) pagina in mijn boek het meest kwalijk te vinden. Namelijk de pagina waarop ik adviseer het nieuws te vermijden.

Zijn kritiek is een evidente stropop. Natuurlijk is het belangrijk om te weten over de grote misstanden in de wereld. Sterker nog, ik denk dat het nieuws – de dagelijkse focus op incidenten in plaats van structuren — ons daar vaak van afleidt. Klimaatverandering, het uitsterven van vele diersoorten, de onderdrukking van de Oeigoeren worden vaak niet zo nieuwswaardig gevonden, zeker niet voor de media met het grootste bereik, denk aan de talkshows.

Simon doet alsof mijn mediakritiek zich vooral richt op de kwaliteitskranten, maar dat is natuurlijk onzin. Het gaat mij om de hysterische 24/7 ‘nieuwscyclus’ zoals je die vooral op televisie ziet.

Bregman in zijn boek:

VII. Vermijd het nieuws

Tegenwoordig is het nieuws een van de grootste bronnen van afstand. Wie het journaal kijkt, krijgt het gevoel dichter bij de werkelijkheid te komen, maar krijgt in werkelijkheid een verwrongen beeld voorgeschoteld. (…)

Mijn vuistregel? Bestudeer liever de bedachtzame zaterdagkrant dan het dagelijkse nieuwsbulletin.

Bregman in een recent interview voor de Duitse televisie:

Interviewster: Moet ik u serieus nemen? U, als intellectueel, beveelt ons aan geen krant te lezen?

Bregman: Ja, absoluut.

Simon onderschat een gevaar

Bregman in De Balie:

Simon denkt dat die nieuwscyclus geen schadelijke effecten heeft, en dat iedereen wel snapt dat een incident een incident is.

Moderne psychologen en sociologen denken daar heel anders over. Op pagina 33 citeer ik een wetenschappelijke overzichtsstudie waarin de schadelijke effecten van overtollige nieuwsconsumptie worden opgesomd: ‘misperceptie van risico’s, angst, negatieve gevoelens, aangeleerde hulpeloosheid, vijandigheid ten opzichte van anderen en afstomping.’

Stel dat dit waar is – het lijkt ons vrij dik aangezet, maar we hebben het niet nagezocht – dan nog gaat het over overtollige nieuwsconsumptie. Niet om normale consumptie.

In onze video bespraken we al wat de goede oplossing is: scholing. Bied mensen een context, laat studenten bijvoorbeeld naar de TED-talks van Hans Rosling kijken. Leer scholieren nieuwsberichten interpreteren, op waarde schatten.

In aansluiting daarop zou je actie kunnen voeren voor een verbetering van de kwaliteit van het nieuws. Dat zou op zijn minst blijk geven van idealisme.

‘Vermijd het nieuws’ getuigt juist van cynisme. Het is het verkeerde middel. Het is een vorm van ‘operatie geslaagd, patiënt overleden.’ 

Bregman staat open voor kritiek (1)

Bregman in de Balie:

Is er dan helemaal niets mis met mijn boek? Integendeel. In de afgelopen twee jaar heb ik heel wat sterke kritiek voorbij zien komen, vooral in buitenlandse media.

De blogger Ben Sixsmith liet bijvoorbeeld zien dat het Ifalik volk, dat ik als door en door vreedzaam beschrijf, in de 19e eeuw helemaal niet zo vreedzaam was.

Dit punt maken wij ook (in Snijtafel #73.4), maar dat kon Bregman in De Balie niet weten en valt hem dus niet aan te rekenen.

De blog van Ben Sixsmith verscheen in mei 2020.Wij hebben de twintigste druk (februari 2022) van De meeste mensen deugen erop nageslagen, benieuwd hoe Bregman zijn misser over het Ifalik volk rechtgezet zou hebben. Hij heeft er geen letter aan veranderd.

Bregman staat open voor kritiek (2)

Bregman in de Balie:

De antropoloog William Buckner schreef op zijn blog een kritische recensie over mijn gebruik van de antropologische literatuur, waarbij hij stelt dat ik te veel vertrouw op het werk van optimistische antropologen als Douglas Fry.

Een ‘kritische’ recensie is wat zwak uitgedrukt. De bespreking – die zich overigens beperkt tot Bregmans visie op de jagers/verzamelaars – is verpletterend. Aan de hand van talrijke wetenschappelijke bronnen oordeelt Buckner: onredelijk simplistisch, historisch ongerechtvaardigd; geen geschiedwetenschap, maar mythologie.

Net als de blog van Sixsmith heeft de kritiek van Buckner niet geleid tot één woordje wijziging in welke druk dan ook van Bregmans boek.

Bregman is overigens weer eens in de war. Buckner constateert weliswaar dat Bregman maar heel weinig onderzoek gedaan heeft naar primaire literatuur over jagers/ verzamelaars, dat diens bronnen nogal simplistisch en gekleurd zijn en Buckner noemt een aantal van die discutabele bronnen met name… maar juist niet Douglas Fry.

Bregman staat open voor kritiek (3)

Bregman prijst de kritiek ‘vooral in de buitenlandse media’, maar gaat voorbij aan een gedegen bespreking van enkele tientallen pagina’s door Joost de Vries in diens boek De gelukkigste man van Nederland. Zelf vonden we dit de meest diepgaande kritische beschouwing over Bregmans boek. We namen er pas kennis van na de opname van onze video, anders hadden we er zeker eerder aandacht aan besteed.

Bregman staat open voor kritiek (4)

Bregman in de Balie:

Het belangrijkste kritiekpunt kreeg ik – denk ik – van de auteur Lily Cole die me wees op mijn blinde vlek voor geweld tegen vrouwen — waar ik te weinig over schrijf.

Zoals Bregman heeft kunnen zien, hebben wij diezelfde kritiek geuit.

Bregman verschanst zich in loopgraven

Bregman in de Balie:

Ik heb sterk de indruk dat jullie, Kasper en Simon, gevangen zijn door de premisse van wat jullie aan het doen zijn: alles lekker debunken, want niets is lekkerder dan een goede roast. Zo vermommen jullie je gebrek aan inhoudelijke kennis als slimheid en scherpzinnigheid, en geven jullie velen waar hun hart, of hun onderbuik, al naar verlangde: de definitieve SLOOP van Rutger Bregman.

Gevangen, onderbuik, sloop. Bregman schildert ons hier af als zijn gezworen vijanden. Wij herkennen ons niet in dit beeld.

In onze Snijtafel-video’s zeggen wij meermalen ‘dit zijn we met Bregman eens’ of ‘we denken hier net iets anders over, maar dat is van ondergeschikt belang.’ Een paar keer voeren we zelf materiaal aan dat een gedachte van Bregman ondersteunt. We onderstrepen dat we ons niet tegen Bregman als persoon keren, spreken positief over zijn boek Het water komt en brengen er zelfs de cover van in beeld. Nergens in de video’s zijn we beledigend of grof. We maken wel eens een grapje, maar onze argumentatie is zakelijk.

Het is wel navrant dat juist Bregman zo’n vijandbeeld afschildert. Hij is toch de man van bij twijfel ga uit van het goede… kom uit de loopgraven… steek een hand uit naar je grootste vijand?

Samenvatting

Ook de tweede helft van Bregmans repliek in De Balie is niet best.

Bregman jongleert met voetnoten van Fry die geen betrekking hebben op het betrokken onderwerp.

Zorgvuldig natrekken van zo’n voetnoot maakt eens te meer duidelijk hoe Bregman bronnenmateriaal verdraait.

Hij verwijst naar passages in zijn boek die niet bestaan, legt ons woorden in de mond die we niet gebruikt hebben en negeert als het hem uitkomt relevante delen van ons betoog.

Hij voert een aanval uit op de scheiding der machten, maar ontkent dat hij dit doet.

Wederom schildert hij ons ten onrechte af als opponenten die geen bronnenonderzoek doen.

Hij maakt een karikatuur van de standpunten van deskundigen inzake Verlichting & racisme alsook Verlichting & nazisme. Sowieso schiet zijn deskundigheid omtrent het gedachtengoed van de Verlichting schromelijk tekort.

Hij ontkent gladhard zijn eigen woorden betreffende kranten en dagbladjournalistiek.

Zelfs waar hij kritiek mondeling erkent, past hij de tekst van zijn boek niet aan en demonstreert hij daarmee niet in staat te zijn de eigen leefregels toe te passen.

Conclusie: Bregmans drie mankementen

Wat mankementen betreft, zijn er opvallende overeenkomsten tussen Bregmans boek en zijn verdediging ervan tegenover De snijtafel. De drie belangrijkste feilen geven we hieronder weer, met daarin telkens een nog niet eerder behandeld voorbeeld.

Het eerste mankement is dat Bregman niet kan lezen.

Keer op keer constateren we dat Bregman iets anders leest dan wat er staat. Dat begint al op de eerste bladzij van zijn boek, waar hij Le Bon citeert die – anders dan Bregman beweert – het niet heeft over noodsituaties.

Bronnen worden onvolledig en daardoor vertekend weergegeven of zelfs verdraaid. Van Lord of the Flies tot Frans de Waal, van de Amerikaanse grondwet tot Zygmunt Bauman, de lijst is eindeloos. We geven hier een voorbeeld waarvoor de lezer geen bron hoeft na te trekken, maar kan volstaan met een fragment uit Bregmans boek:

Als we het fenomeen ‘oorlog’ willen begrijpen, moeten we dan ook kijken naar de machthebbers. Naar de generaals en de koningen, de presidenten en de ministers. Het zijn deze Leviathans die oorlog voeren, omdat oorlogen goed zijn voor hun macht en aanzien. Lees het Oude Testament er maar op na, waar de profeet Samuel de Israëlieten waarschuwt voor wat een koning met ze zou doen. Het is een van de meest vooruitziende, en sinistere, passages uit de Bijbel:

“Dit zal de handelswijze zijn van de koning die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen voor bij zijn wagens en zijn ruiterij. Hij zal hen aanstellen tot bevelhebbers over duizend en tot bevelhebbers over vijftig. Zij zullen zijn akker moeten ploegen, zijn oogst binnenhalen en zijn strijdwapens en zijn wagentuig maken. Uw dochters zal hij nemen als zalfbereidsters, kooksters en baksters. Uw akkers, uw wijngaarden en uw olijfgaarden zal hij nemen, de beste zal hij nemen en ze aan zijn dienaren geven. Van uw zaaigoed en uw wijngaarden zal hij het tiende deel nemen en dat aan zijn hovelingen en zijn dienaren geven. Hij zal uw slaven, uw slavinnen, uw beste jongemannen en uw ezels nemen om daarmee zijn werk te doen. Hij zal het tiende deel van uw kudden nemen en u zult hem tot slaven zijn.”

Nergens in deze passage uit de Bijbel valt te lezen dat koningen graag oorlog voeren.

Het tweede mankement is Bregmans tekort aan kennis.

Zowel uit Bregmans boek als uit zijn optreden in de Balie blijkt zijn gebrekkige kennis van zaken. Bregman meent dat Nietzsche de vernistheorie onderschreef. Zegt dat op de Titanic geen paniek uitbrak. Is niet op de hoogte met belangrijk wetenschappelijk werk over jagers/verzamelaars. Maakt geen onderscheid tussen nazi’s en Wehrmachtsoldaten. Beweert dat soldaten eeuwenlang nauwelijks de trekker hebben overgehaald, met name tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Heeft bijna geen werk van Verlichtingsdenkers gelezen. Weet zo weinig van gebombardeerde steden tijdens WO II, dat hij denkt dat je er ongestraft kon plunderen.

In verband met dat laatste wezen we al op Slaughterhouse Five, waarin staat dat een krijgsgevangene werd geëxecuteerd die een theepot had gestolen. Een aanvullend voorbeeld ontlenen we aan het non-fictieboek Een liefde in Dresden (2019) van Michel Veering, waarin een aantal dagboekfragmenten is opgenomen van een vrouw die het bombardement op Dresden in 1945 heeft ondergaan. Zij beschrijft hoe enkele weken later twee Duitse vrouwen ruzie krijgen om een jurk. Een van hen beschuldigt de ander van diefstal en dreigt aangifte te doen bij de politie.

Zo ging dat dus. Ja, als je dat allemaal niet weet, dan kan je makkelijk opschrijven: wat edelmoedig dat er niet geplunderd werd.

Het derde mankement is Bregmans onheldere denktrant. Zoals we gezien hebben, argumenteert Bregman allerminst ‘loepzuiver’.

Hij verzuimt te definiëren wat ‘deugen’ is. Uit de manier waarop hij het begrip toepast, blijkt dat hij meerdere, strijdige definities hanteert.

Bregman bestempelt de ene keer empathie als iets goeds, de andere keer niet.

Bregman creëert oneigenlijke tegenstellingen: niet dit, maar dat. De Holocaust was niet barbaars, maar modern. De Verlichting geloofde niet in empathie, maar in de rede.

Bregman spreekt zichzelf tegen. Zegt dat het 10.000 jaar geleden is misgegaan, maar poogt keer op keer aan te tonen dat het daarna niet is misgegaan.

Bregman gebruikt ongerijmde analogieën. Vergelijkt zes jongens op een voedselrijk eiland met de situatie van veertig jongens op een voedselarm eiland.

Om tegenstanders verdacht te maken, hanteert Bregman de drogreden ad hominem. Onze motieven zouden niet deugen en William Golding sloeg zijn kinderen.

Bregman gebruikt de volgende cirkelredenering: de Denen waren solidair met de Joden, dat kwam door hun gevoelens van solidariteit.

Bregman wijst erop dat de nazi’s aan de macht kwamen twee eeuwen nadat in Duitsland de Verlichting bloeide, en zo suggereert hij een oorzakelijk verband tussen die twee. Hij bezigt dus de drogreden post hoc ergo propter hoc (= ‘na dit, dus door dit’).

Bregman poneert dat Auschwitz het eindpunt is van een langdurig historisch proces, veroorzaakt door onder meer schrijvers en dichters. Die schrijvers en dichters, zegt hij desgevraagd, behoorden tot de meelopers met het naziregime. Bregman haalt oorzaak en gevolg door elkaar. Het is een van tweeën, of je bent wegbereider of je bent meeloper.

Bregman haalt sowieso categorieën door elkaar. Denkt dat milde omgangsvormen met Noorse gevangenen een vorm is van ‘de andere wang toekeren’.

Kortom, in onze bespreking hebben we een staalkaart van drogredenen voorbij zien komen. En deze opsomming is verre van volledig.

Toch nog een toegift. Nadat wij erop hadden gewezen dat Bregman ten onrechte Thucydides had opgenomen in een rijtje grote denkers, schoot een gedienstige commenter Bregman te hulp: filosoof Thomas Hobbes had zich laten inspireren door Thucydides. Bregman helemaal blij. Zijn reactie: Goed punt! Jammer dat ik dat in De Balie niet naar voren had gebracht!

Wij willen graag geloven dat Hobbes een of meerdere inspiratiebronnen had. Zo’n inspiratiebron is dan niet meteen zelf een filosoof. Thucydides was een Griekse geschiedschrijver. Dat kan iedere eerstejaarsstudent geschiedenis je vertellen.

De manier waarop Bregman debatteert, deugt net zomin als zijn boek zelf.

Verantwoording

Citaat Jonathan Haas and Matthew Piscitelli, The Prehistory of Warfare: P 183 https://books.google.nl/books?id=RnIRDAAAQBAJ&pg=PA198&lpg=PA198&dq=Comparing+the+total+number+of+known+individuals+before+8,000+BC&source=bl&ots=Ge5chnKR-F&sig=ACfU3U0e6QY4eBD6jxPb5mBWhOKgN_btMw&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwjy1J-NxI_4AhXyMuwKHX8EAp8Q6AF6BAgkEAM#v=onepage&q=Comparing%20the%20total%20number%20of%20known%20individuals%20before%208%2C000%20BC&f=false

Artikel Douglas Fry in Science https://www.researchgate.net/publication/250920560_Lethal_Aggression_in_Mobile_Forager_Bands_and_Implications_for_the_Origins_of_War

Bowles, S. Did warfare among ancestral hunter-gatherers affect the evolution of human Social behaviors? In Science 324 (2009).

Gat, A. War in Human Civilization (2006). Over Hobbes – Rousseau, zie onder meer p. 13.

Glowacki, L. & R. Wrangham, Warfare and reproductive success in a tribal population. In PNAS 112 (2), 2014.

Mathew, S. & R. Boyd, Punishment sustains large-scale cooperation in prestate warfare. In PNAS 108, 2011.

Over Middeleeuwse racistische theorie: https://en.wikipedia.org/wiki/Historical_race_concepts

Antisemitisme en pestplagen: Tuchman, Barbara, A Distant Mirror. The Calamitous 14th Century, 1978.

Over de rassenscheiding in Batavia: Burgers, J.H. De garoeda en de ooievaar. Indonesië van kolonie tot nationale staat, 2010.

Voltaire, Candide, 1759. Geraadpleegd is de Nederlandse vertaling van M.J. Premsela, 1956.

Over Voltaire en slavernij, zie (Franstalige) Wikipedia https://fr.wikipedia.org/wiki/Voltaire

Diderot, Denis, Contes, 1772. Geraadpleegd is de Livre de Poche Classique uitgave uit 1998.

Beccaria, Cesare, Over misdaden en straffen, 1764. Geraadpleegd is de Nederlandse vertaling van J.M. Michiels, z.j.

Jacourt, Louis de, lemma over Esclavagein l’Encyclopédie (1755),

https://www.lumni.fr/article/la-definition-de-l-esclavage-dans-l-encyclopedie-de-diderot-et-d-alembert zie ook Bijlage II

Racistische uitlatingen van Immanuel Kant: Von der verscheidenen Racen der Menschen, 1777.

Ander geluid van Kant: Bestimmung des Begriffs der Menschenrace, 1785. Hieruit:

“De klasse van de witten is niet als bijzondere soort binnen het mensengeslacht van die van de zwarten onderscheiden, en er bestaan helemaal geen verschillende soorten mensen.”(cursifiëring van Kant zelf). Vertaling van dit essay plus een kritische, maar genuanceerde inleiding over racistische elementen in het werk van Kant, in: Wat is verlichting? Vertaling en inleiding van Thomas Mertens & Willem van der Kuijlen, 2021.

Over François Arago: Freriks, Philip, De meridiaan van Parijs,

Isaac, Benjamin, The Invention of Racism in Classical Antiquity, 2004.

Heng, Geraldine, The Invention of Race in the European Middle Ages, 2019.

Habermas, J. The Philosophical Discourse of Modernity, 1987.

Bauman, Z. Modernity and the Holocaust, 1989.

Bauman, Z. Modernity and Ambivalence, 1991.

Griffin, Roger, Modernism and Fascism, 2007.

Interview met Bauman door Frank Mulder: De Holocaust is een product van de moderniteit. In: Trouw, 29 januari 2012.

Bregman in interview met Barbara Bleisch op SRF Kultur:

https://www.youtube.com/watch?v=WhPA29vxPsA&t=75s het citaat zit op 2’20’’

Kritiek op Bregmans weergave van Ifalik: Sixmith, B. https://medium.com/arc-digital/rutger-bregman-is-largely-wrong-about-human-nature-b7967cf16976 gepubliceerd op 22 mei 2020

Kritiek op Bregmans deskundigheid inzake jagers/verzamelaars: Buckner, W. https://traditionsofconflict.com/blog/2020/12/13/book-review-humankind-by-rutger-bregman

Gepubliceerd 13 december 2020

Interessante kritiek op Bregman algemeen: in boek van Joost de Vries, De gelukkigste man van Nederland, 2021.

Bijlage 1: Evaluatie van het artikel van Douglas Fry

Hoe Fry zijn eigen onderzoek te positief interpreteert

Bregman stelt in hoofdstuk 5 vast dat bij nomadische jagers en verzamelaars ‘oorlog een zeldzaamheid was, ze houden nu eenmaal niet van geweld’. Hij baseert zich hierbijop een artikel van Douglas Fry, ‘Lethal Aggression in Mobile Forager Bands and Implications for the Origins of War ‘, verschenen in Science, juli 2013.

We nemen het artikel van Fry onder de loep. Zijn onderzoeksresultaten geeft hij weer in de volgende tabel.

Fry heeft gegevens bestudeerd over geweld bij 21 hedendaagse volkeren die jagen/verzamelen. Waarom hij maar zo’n kleine steekproef van n = 21 heeft getrokken, legt hij niet uit. In zijn eigen inleiding valt te lezen dat er veel meer data voorhanden waren.

In het artikel ontbreken twee belangrijke onderzoeksgegevens. Om te beginnen vernemen we niets over de orde van grootte van de onderzochte groep jagers/verzamelaars. Een totaal van 150 doden bij een populatie van 3000 is iets anders dan bij een populatie van 300.000.

Verder blijft onduidelijk op welke tijdsperiode de data betrekking hebben. Twee moorden per jaar geeft een ander beeld dan twee moorden per honderd jaar.

Een dubieuze ingreep van Fry is, dat hij de data onder het volk van de Tiwi apart zet. Deze zijn volgens hem ‘atypical’. In hoeverre dat waar is, kunnen we niet beoordelen. Zoals hiervoor vermeld, ontbreken gegevens over absolute aantallen. Als het Tiwi-volk veel meer leden telt dan de andere onderzochte groepen, zijn de data niet ‘atypical’.

Maar stel dat de onderzochte groepen alle keurig even groot zijn, dan zijn de resultaten bij het Tiwi-volk inderdaad atypisch: 61% van de gewelddadige doden zijn het gevolg van agressie tussen groepen.

Wanneer mag je zo’n atypisch resultaat nu apart behandelen?

Soms is het redelijk dat te doen. Stel, je wilt onderzoeken hoe tevreden een klas van 21 student is over een bepaalde docent. Laten we aannemen dat uit een enquête blijkt dat de tevredenheidscijfers onder 20 studenten uiteenlopen van een 6 tot een 9 en één student heeft een 2 gegeven. Dan kun je redeneren: die ene student is atypisch, mogelijkerwijs heeft hij een persoonlijke hekel aan de docent. We zetten zijn resultaat apart. Of: we kijken niet naar het gemiddelde cijfer, maar naar het mediane (= het middelste) cijfer. De algehele beoordeling van de docent komt dan vermoedelijk in de buurt van een 7,5.

Deze ingreep mag je niet zomaar uitvoeren als je onderzoek doet naar oorlogsgeweld.

Dit is makkelijk in te zien. Oorlog is een atypische gebeurtenis. Je onderzoek was juist gericht  op de vraag of dit soort atypische gebeurtenissen een gewicht in de schaal legt. Denk eens aan een onderzoek naar het aantal Nederlandse oorlogsdoden gedurende de twintigste eeuw. Je zal daarbij een piek zien in de jaren ’40 (Tweede Wereldoorlog, Indonesië). Dat rechtvaardigt natuurlijk niet de jaren ’40 buiten beschouwing te laten.

Het laatste wat in het artikel van Fry opvalt, is dat in de tabel een categorie accident is opgenomen. Die hoort niet thuis in een onderzoek naar agressie. Als je die categorie weghaalt, verschuift het beeld richting oorlog. Er blijven 142 slachtoffers van geweld over. Daarvan zijn er 50 omgekomen tijdens ‘conflicten tussen groepen’ en nog eens 7 tijdens ‘executies door andere groepen’. Samen zijn dit er 57. Dat is ruim 40% van het totaal. Dat geeft een wat ander beeld dan wat Fry luchtig aanduidt als ‘a minority’.

Terzijde wijzen we op het grote aantal doden bij conflicten met en over vrouwen. Veertien moorden vanwege vrouwen, negen moorden op vrouwen, twee moorden bij het stelen van vrouwen. Dat strookt niet geheel met Bregmans karakteristiek van de oerman als ‘een protofeminist’.


Bijlage 2: De Verlichting over ‘slavernij’

Definitie van l’esclavage (1755) door Louis de Jaucourt, in een standaarwerk van de verlichters, lEncyclopédie, samengesteld door Diderot en d’Alembert.

Esclavage

S. m. (Droit naturel, Religion, Morale)

« Après avoir parcouru l’histoire de l’esclavage, nous allons prouver qu’il blesse la liberté de l’homme, qu’il est contraire au droit naturel et civil, qu’il choque les formes des meilleurs gouvernements, et qu’enfin il est inutile par lui-même.

La liberté de l’homme est un principe qui a été reçu longtemps avant la naissance de Jésus-Christ, par toutes les nations qui ont fait profession de générosité. La liberté naturelle de l’homme c’est de ne connaître aucun pouvoir souverain sur la terre et de n’être point assujettie à l’autorité législative de qui que ce soit, mais de suivre seulement les lois de la Nature : la liberté dans la société est d’être soumis à un pouvoir législatif établi par le consentement de la communauté, et non d’être sujet à la fantaisie, à la volonté inconstante et arbitraire d’un seul homme en particulier.

Cette liberté par laquelle on n’est point assujetti çà un pouvoir absolu, est unie si étroitement avec la conservation de l’homme, qu’elle n’en peut être séparée que par ce qui détruit en même temps sa conservation et sa vie. Quiconque tâche donc d’usurper un pouvoir absolu sur quelqu’un, se met par là en état de guerre avec lui, de sorte que celui-ci ne peut regarder le procédé de l’autre que comme un attentat manifeste contre sa vie. En effet, du moment qu’un homme veut me soumettre malgré moi à son empire, j’ai lieu de présumer que si je tombe entre ses mains, il me traitera selon son caprice et ne se fera pas scrupule de me tuer, quand la fantaisie lui en prendra. La liberté est, pour ainsi dire, le rempart de ma conservation, et le fondement de toutes les autres choses qui m’appartiennent. Ainsi, celui qui dans l’état de la nature, veut me rendre esclave, m’autorise à le repousser par toutes sortes de voies, pour mettre ma personne et mes biens en sûreté.

Tous les hommes ayant naturellement une égale liberté, on ne peut les dépouiller de cette liberté, sans qu’ils y aient donné lieu par quelques actions criminelles. (…) 

Les peuples qui ont traité les esclaves comme un bien dont ils peuvent disposer à leur gré, n’ont été que des barbares. »