Een familie van misplaatsten en mismaakten
Vond vannacht een leegstaand hart en kraakte het
Ze doopten het om tot bloedoffergrot
Ze maakten het hart van binnenuit kapot
Jij had er kunnen wonen
Als je gisteren was gekomen
Een familie van misplaatsten en mismaakten
Vond vannacht een leegstaand hart en kraakte het
Ze doopten het om tot bloedoffergrot
Ze maakten het hart van binnenuit kapot
Jij had er kunnen wonen
Als je gisteren was gekomen
Op 9 november kwamen onder andere Stephen Fry, Richard Dawkins, Sean Penn en Salman Rushdie bij elkaar (de laatste twee via een live videoverbinding) om de briljante, maar terminale journalist/schrijver/spreker Christopher Hitchens alvast te herdenken.
De ceremonie zou mogelijk minder macaber zijn geweest indien Hitchens zelf niet af had hoeven zeggen vanwege een longontsteking bovenop (of moet ik zeggen: onderaan) zijn slokdarmkanker. Aan de andere kant, waarschijnlijk zou zijn graatmagere, starende, zwijgzaam superlatieven in ontvangst nemende aanwezigheid me er alleen maar méér van doordrongen hebben hoe zijn hopeloze toestand de directe aanleiding vormde voor de gezelligheid.
Griezeliger dan de gelegenheid zélf was Stephen Fry’s terloopse verafgoding van de sigaret als onmisbaar attribuut van de vrijdenker. Toen hij Sean Penn zag roken voor diens webcam, onderbrak hij het voorspelbare interview om te zeggen:
‘We are so pleased to see you smoking, by the way.’
Dit is een merkwaardige uitspraak, temeer omdat er een verband bestaat tussen Hitchens’ nicotineverslaving en het feit dat deze vrijdenker nu, op 62-jarige leeftijd en met zijn geestelijke vermogens nog in topvorm, het podium moet verlaten. Vindt Fry de gedachte aan een hoogbejaarde Hitchens niet opwegen tegen het gemis van romantisch kringelende rookslierten uit sensueel bungelende peuken? Als ik mocht kiezen, zou ik het wel weten. Vrijdenkers sterven vlug genoeg van zichzelf. We hoeven er geen haast mee te maken.

Er zijn maar weinig mensen die helemaal niet aan geld denken. Ze ontstaan af en toe door een toevallige genetische mutatie en sterven dan van armoede weer uit. Op die manier krijgen ze nooit een stevige evolutionaire tak. De homoseksuelen hebben een vergelijkbaar probleem. Beide menstypen zijn, bij gebrek aan een robuuste reproductie, gedwongen steeds opnieuw te ontstaan. Voorouders hebben ze om die reden niet, maar hun gedoemde antecedenten gaan terug tot in de oersoep; het waren de microben die niet aten en de microben die zich niet vermenigvuldigden.
Aan de andere kant zijn er óók maar weinig mensen die uitsluitend aan geld denken. De meesten onder ons denken namelijk wel constant aan wat ze met geld kunnen doen, maar zelden of nooit aan het geld zelf. Ze kunnen dan ook niet echt over geld praten, alleen over welke kant het op rolt en hoe het eruitziet. Al vinden ze geld ontzettend belangrijk, eigenlijk weten ze niet wat het is.
Wanneer ze met soortgenoten onder elkaar zijn is dat geen probleem, dan zegt er bijvoorbeeld één: ‘Geen geld naar Griekenland!’ en een ander: ‘De gulden was zo gek nog niet!’ en een derde: ‘Laat de banken er maar voor opdraaien!’ en ze zijn het allemaal roerend eens.
Maar dan is er plots een koele stem die tegenwerpt dat ze met deze oplossingen niet kunnen voorkomen dat de luxaflexiteit boven de Pangasiusnorm uit stijgt, of dat je zo de wigwam in de vaste dekkingsaftrekindex niet marktconform kunt ombuigen. De opiniemakers kijken verbijsterd achterom. Daar zit hij: de ex-topman van Simon & Garfunkelhouse Coopers, ex-voorzitter van het Centraal Financieel Economisch Planbureau Instituut, megahoogleraar emeritus econometronomologie in ruste aan de Universiteit van Ede-Wageleidendelft en erelid van de V&D, de financieel filosoof, de man met niets anders aan zijn hoofd dan de wetten van het geld.
Het gat tussen hem en de overige sprekers is zo groot dat alleen ontzag en minachting het kunnen vullen. De financieel filosoof kan ons maken of breken, naar het schijnt, met het zeldzame talent dat hem in staat stelt naar geld te kijken als ding an sich. Er wordt zelfs beweerd dat hij niet alleen begrijpt wat geld is, maar het ook in hoge mate bepaalt, dat met zijn verdwijning de betekenis van geld weer open zal zijn voor ieders interpretatie, met onbekende gevolgen.
Als iemand die zo min mogelijk aan geld denkt, een verwijtbaar vage positie die me regelmatig het gevoel geeft de wereld een zelfmoord verschuldigd te zijn, ontdoe ik me van het angstige onderwerp met een dubbelhartige verzuchting. Hoewel niets verandert zonder geld, zou er zonder geld waarschijnlijk niets veranderen.
(Vertaling van Elliott Smith’s Rose Parade.)
Ze vroegen me: kom je ook mee naar de stoet
Marcheren als Duracell-konijnen
Met een ruiteroptocht die ons olijk begroet
Gooiend met snoep verpakt als florijnen
Naar de passant die altijd de andere kant op moet?
Zeg waarom ga je niet mee naar de Rozenstoet?
Struikelde over een wurgbandhondje
Het volk stond te roepen en duwen en praten
Ruilde een peuk voor een voedselbonnetje
Lachwekkend muziekkorps startte met blaten
Stampte mee op de beat van een halfslachtig zegelied
Waarom ga je niet mee naar de Rozenstoet?
De trompettist heeft beslist gedronken
Hij verneukt zelfs de allereenvoudigste maat
Ze vinden dit schouwspel iets bijzonders
Iedereen buiten mij is er zeer bij gebaat
Kerel veegt de stoep, ik ben de enige poep die hij achterlaat
Vóórdat iets wat nog niet is, iets wordt wat is geweest
Bestaat het voor een korte poos als ding of plant of beest
Die essentiële overgang van noppes naar geen bal
Is waar we over praten als we zeggen: ons heelal
Wij zitten in de taille van de zandloper van God
De druk is hoog, de ruimte klein en iedereen heeft mot
En als de laatste zielenpoot het gat is gepasseerd
Wordt de loper door een klauw met schubben omgekeerd
Om te zorgen dat burgers zich van het ene privé-pand naar het andere kunnen bewegen zonder bij andere burgers in te hoeven breken, is een deel van het oppervlak van Nederland ‘openbaar’. Dit oppervlak, dat voornamelijk uit tegels en asfalt bestaat, zou in de regel toegankelijk moeten zijn voor iedere Nederlander die niet in een gevangenis of in een gesloten kliniek zit.
Soms komt het echter voor dat een groep gelijkgestemde individuen de openbare ruimte in beslag neemt voor luidruchtige privé-activiteiten. Hoe zo’n inbeslagname precies genoemd wordt, hangt af van de houding van de overheid die de openbare ruimte beheert. Als de overheid de inbeslagname negeert, heet ze een ‘demonstratie’. Als de overheid haar bestrijdt, heet ze een ‘rel’. En als de overheid geld aan haar verdient, heet ze een ‘evenement’.
Demonstraties zijn vreedzame inbeslagnames van de openbare ruimte met een ideëel doel. Een demonstratie duurt meestal tot de beslagnemers in de gaten krijgen dat er niet naar hen geluisterd wordt, en verandert dan in een rel.
Een rel is een demonstratie die niet te negeren valt. Als een rel uitbreekt, probeert de overheid die neer te slaan. Lukt dit niet, dan is de rel een revolutie. Een revolutie is een langdurige inbeslagname van alle openbare ruimte, inclusief de overheid. De gevolgen van een revolutie zijn lastig te voorspellen, maar één ding is zeker: er zal een nieuwe overheid geïnstalleerd worden, die de revolutie jaarlijks zal herdenken tijdens lucratieve evenementen in de openbare ruimte.
Een evenement in de openbare ruimte is een door de overheid gesteunde, agressieve expansie van een specifieke subcultuur ten koste van andersdenkenden, aan wie middels wegafzettingen en ticketsystemen de toegang tot de openbare ruimte wordt ontzegd. Drie subculturen maken met name gebruik van het evenement als middel om hun macht en hun welvaart te vergroten. Ze heten Sport, Entertainment en Godsdienst. De andersdenkenden behoren meestal tot de subcultuur der Intellectuelen, een verzameling individualisten die zelden de openbare ruimte in beslag nemen, omdat ze de excentrieke mening zijn toegedaan dat de openbare ruimte openbaar hoort te zijn.