Skip to content

Proza

Wie of wat ooit de resten van onze beschaving zal ontdekken, kan in die rare stelsels en objecten mogelijk lezen wat of wie wij echt waren. Aangenomen dat onze ruïnes ons miljoenen jaren zullen overleven, precies omdat ze altijd al dood waren, is het denkbaar dat de sterrendokters ons postuum op zullen lossen. Zelf kunnen we het niet. Als een x in een vergelijking wachtend op een wiskundige, hebben we onszelf, verveeld, wanhopig en verward, vastgedraaid in een web van onbekenden, gegevens, constanten en variabelen. Wij zijn de x die, eerst nog zielig en alleen, zichzelf opgelucht herkent in een zelfverzonnen y, een tweede onbekende die als een marionet onder hem hangt aan draden van aapachtig sentiment of een derde, z, die boven hem staat en hém tot marionet maakt, zo veinst x, want de draden zijn in het laatste geval stokken: hij houdt graag controle over wat hem beheerst. Wanneer wij tenslotte uitsterven en alles uit deze planeetomvattende vergelijking mens, met haar duizend onbekenden, woekerende betonnen, metalen, plastic, papieren, houten uitstulpingen van ons verlangen naar zelfbeschikking herleid moet worden tot zijn uitgedroogde bron in ons, hoe lang zou het dan duren voor de kluwen van draden en stokken ontrafeld is en – hoe lang voor het niet meer kan? Hoe lang voor zelfs de knapste buitenwereldse macht de oorsprong niet meer kan herleiden van de glimmende pieken die wij door absurde machines hebben laten oprichten in door onszelf onherbergzaam gemaakte gebieden, waar onze eigen huid een teer orgaan is geworden, ingekapseld met kunstvlees uit een onbevattelijk groot en pikzwart fornuis?
Nu ik letterlijk een schim van mezelf ben geweest, een schijnsel op het gezicht van een dode planeet, ondenkbaar ver van de Aarde, betwijfel ik of wat voor intelligentie dan ook zal kunnen deduceren hoe dit allemaal begonnen is.

Uit: onvoltooid verhaal, Kasper C. Jansen.